Labogids

Hep.B core Ab : klinische info

Het vroegere Australia-antigen is hét serologisch kenmerk van een HBV-infectie.

Ze verschijnen 1-10 weken na blootstelling aan HBV en gaan het ontstaan van symptomen en een verhoging van SGPT vooraf.

Wanneer de ziekte overwonnen wordt, worden ze ondetecteerbaar na 4-6 maanden. Indien ze langer persisteren, spreekt men van een chronische infectie.

Na het verdwijnen van het antigen zal het HbsAb stijgen, waarbij immuniteit bevestigd wordt. In zeldzame gevallen is de ontwikkelde immuniteit onvoldoende om alle virionen te clearen waarbij de HBs-antigenen en -antilichamen samen voorkomen.

Diagnostische algoritmes

  • Acute hepatitis: de diagnose is gebaseerd op de detectie van HbsAg en HbcAb; bij de acute fase kunnen de merkers van HBV-replicatie (i.e. HBV RNA en HbeAg) ook aanwezig zijn. In een zeldzaam geval is het HbsAg negatief (reeds genegativeerd, maar het HbsAb nog niet gestegen) en is HbcAb als enige stegen.
  • Vroegere (overwonnen) HBV-infectie: persistentie van HbsAb en HbcAb. Bij een opgebouwde immuniteit via vaccinatie zal enkel het HbsAb detecteerbaar zijn.
  • Chronische HBV-infectie: het betreft het persisteren van HbsAg gedurende meer dan 6 maanden. Teneinde na te gaan of de patiënt in aanmerking komt voor antivirale therapie worden de bijkomende merkers voor actieve replicatie (HbeAg/HBV-DNA) initieel bepaald, alsook geregeld opgevolgd (elke 3 maanden). Er wordt een onderscheid gemaakt met inactieve dragers (persisterend lage titers HbeAg, normale SGPT en lage titers HBV-DNA < 2000 U/mL).
  • Occulte HBV-infectie: duidt op de aanwezigheid van HBV-DNA met een negatieve HbsAg-titer. Deze patiënten worden onderverdeeld in seropositief/seronegatief (op basis van het al dan niet positief zijn van de HbcAb-titer of andere merkers). Het merendeel van deze patiënten hebben zeer lage HBV-DNA-titers, waardoor de HbsAg-titers onder de detectielimiet van de immunoassays vallen. In meer zeldzamere gevallen is de infectie te wijten aan een HBV-variant (met inherente lagere HbsAg-productie of een mutatie ter hoogte van het s-epitoop). Hierdoor is het belangrijk een occulte infectie in rekening te brengen wanneer met duidelijke cryptogene chronische leveraantasting observeert bij een patiënt met risicofactoren en negatieve HbsAg-titers.