Labogids

Epstein-Barr IgG : klinische info

EPSTEIN-BARRVIRUS (EBV)

Incubatieperiode: 4 dagen tot 8 weken; bij jonge kinderen: 4 - 10 dagen; bij jongvolwassenen: 4 - 8 weken.

Transmissie: via mond-keelsecreet van zieken en symptoomloze dragers (zoenen, handen, voorwerpen) en via bloedtransfusie en transplantatie.

Natuurlijke evolutie: meestal verloopt de aandoening symptoomloos. Acute ziekte gaat gepaard met algemene malaise, hoofdpijn, koorts, keelpijn, anorexia, moeheid, lymfadenopathie, splenomegalie, hepatomegalie, leverfunctiestoornissen en atypische lymfocyten in het bloeduitstrijkje.

Complicaties zijn zeldzaam (myocarditis, miltruptuur, hepatitis, neurologische complicaties, hematologische afwijkingen). Patiënten kunnen langdurig moe blijven na het doormaken van een infectie met EBV.

Na de primo-infectie blijft het virus, zoals de andere herpesvirussen, levenslang latent aanwezig.

Diagnose:

  • De paul-en-bunnellsneltest spoort heterofiele antilichamen op die o.a. bij een acute EBV-infectie gevormd worden. Deze test heeft een gevoeligheid van 90% bij jong volwassenen maar is vaak valsnegatief bij kinderen en oudere volwassenen. Valspositieve reacties zijn beschreven in geval van andere virale aandoeningen lymfoom en leucemie. De heterofiele antistoffen kunnen meer dan 6 maanden na de acute fase aantoonbaar blijven.
  • Specifieke antistofbepaling is omslachtiger maar scoort duidelijk beter qua gevoeligheid en specificiteit. Met EBV-IgM wordt een acute infectie opgespoord. Met EBV-IgG wordt immuniteit aangetoond. De EBV nuclear antigen test (EBNA) wordt pas positief een drietal maanden na een acute infectie. EBV-IgM en EBV-IgG zijn meestal reeds positief bij het begin van de ziekte.
  • Aantonen van atypische lymfocyten in het bloeduitstrijkje en leverteststoornissen in het bloed. Dit is niet specifiek voor EBV en komt ook voor bij andere (virale) aandoeningen.